Maak een afspraak voor een kennismaking onder het genot van een cafezinho. Wij zijn te bereiken op 06 10019604 of laat hier uw gegevens achter, dan nemen wij contact met u op.

Ontwikkelingshulp door bedrijven?

Minister Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking wil Nederlandse bedrijven inzetten tegen armoede. Nederland wil volgens haar een betere verdeling van welvaart, vrijheid en sociale gerechtigheid. Bedrijven zouden kunnen bijdragen aan "duurzame groei" (een contradictio in terminis als groei alleen staat voor "meer" en "groter") en aan ontwikkeling van landen en regio's. En als dat een grotere afzetmarkt creëert, profiteren die bedrijven daar weer van. Het klinkt behalve enigszins cynisch (investeren in armere buitenlanden om er zelf ook beter van te worden) erg mooi en nobel. Maar het is gemakkelijker gezegd dan gedaan.
 
Belastingtarieven, bureaucratie en corruptie zijn, zeker voor het midden- en kleinbedrijf, een groot tot vaak onoverkomelijk probleem, ziet Ploumen zelf ook. Bovendien verstrekken banken en andere financiers amper nog kredieten aan kleinere bedrijven om internationaal te kunnen gaan. Okay, Ploumen heeft het Dutch Good Growth Fund ingesteld. Maar tegelijk bezuinigt haar eigen regering zoveel op het Nederlandse buitenlandnetwerk dat ambassades en NBSO's (Netherlands Business Support Offices) worden gesloten of ingekrompen.
 
In een groeiland als Colombia wordt via het private Holland House de ondersteuning aan Nederlandse bedrijven overgelaten aan het bedrijfsleven zelf. Kleinschaligere regionale handelsmissies van provincies of grote steden lijken door Agentschap NL te worden ontmoedigd omdat de toch al onder druk staande diplomatieke diensten daardoor nog verder worden belast met organisatie- en adviestaken. Een ander probleem is dat pas sinds kort politiek, overheid en bedrijfsleven in Nederland in de gaten beginnen te krijgen dat aandacht voor (en dus beleid en activiteiten op) groei-economieën in Latijns Amerika en Afrika erg belangrijk is voor zowel Nederlandse bedrijven als ontwikkeling op die continenten. Da's rijkelijk laat: China, Rusland, Brazilië en bijvoorbeeld ook Turkije zijn al veel langer actief en handelen en ontwikkelen nu zonder Nederlandse en zelfs Europese bemoeienis.
 
En dan nog wat. Gelukkig hebben veel Nederlandse bedrijven nagedacht over maatschappelijk verantwoord ondernemen en passen hun standaarden ook toe in hun buitenlandpraktijk. Ploumen wil bijvoorbeeld dat bedrijven weten wat er speelt in hun productieketens en dat ze fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden hanteren. Hun collega's in zich ontwikkelende economieën leren daarvan. Voor kleinere bedrijven is het nemen van die verantwoordelijkheid echter een stuk ingewikkelder dan voor grote machtige concerns, zeker zonder externe expertise uit bijvoorbeeld het eigen economische buitenlandnetwerk.
 
Tegelijk zijn er ook genoeg voorbeelden van (grote) Nederlandse bedrijven die zelf de fout in gaan. Zo werd een Braziliaans conglomeraat van bedrijven veroordeeld tot een hoge geldboete door de Braziliaanse rechter omdat een Nederlandse baggeraar -onderaannemer in een groot ontwikkelingsproject- fikse milieuschade had toegebracht aan de projectlocatie. En kijk hoeveel moeite multinationals als Ikea en de grote kledingfabrikanten hebben om hun "supply chain management" maatschappelijk op orde te krijgen, getuige de vele schandalen met kinderarbeid in sweatshops en dodelijke ongevallen in levensgevaarlijke fabrieken.
 
Conclusie: Het is goed om als overheid je bedrijfsleven te stimuleren op een verantwoordelijke, fatsoenlijke manier handel te drijven met zich ontwikkelende landen en economieën. Daar kunnen beide partijen beter van worden. Maar het is een illusie om te denken dat bedrijven dat in hun eentje kunnen of willen. De markt is niet zaligmakend. De Nederlandse regering zal vooral binnen EU- en VN-verband structurele contacten op hoog politiek niveau moeten aanknopen om mee te kunnen praten over economische én politiek-bestuurlijke ontwikkeling in groeilanden om win-winsituaties te kunnen creëren.
 
Daarnaast zal er politieke bereidheid moeten zijn om een eerlijk, gelijk speelveld te creëren door bijstelling van de vaak eenzijdige en daardoor armoede vergrotende internationale handelsverdragen. En om gemeenschapsgeld te blijven investeren in verantwoorde armoedebestrijding in lageinkomenslanden én in de ondersteuning van het Nederlandse midden- en kleinbedrijf in het buitenland. Alleen door dat meersporenbeleid kunnen we vooruitgang voor elkaar krijgen. Zowel in lageinkomenslanden als hier.